Scheepstermen voor het Vaarbewijs 1
Woorden die je moet kennen voor het examen Klein Vaarbewijs 1
🏆 95% van onze cursisten slaagt in één keer voor het CBR-examen.
Laatst bijgewerkt: maart 2026 · Samengesteld door Bart van der Boog
Voor het examen Klein Vaarbewijs 1 moet je verschillende scheepstermen kennen. Deze woorden komen regelmatig terug in examenvragen van het CBR. Ze worden gebruikt in vragen over vaarregels, navigatie en veiligheid op het water.
Op deze pagina vind je een korte en eenvoudige uitleg van deze scheepstermen. De lijst is gebaseerd op de officiële lijst met scheepstermen van het CBR. We hebben deze aangevuld met termen die ook vaak in examenvragen voorkomen.
In de cursus Vaarbewijs 1 leer je deze termen stap voor stap. Zo begrijp je ze goed en ben je beter voorbereid op het CBR-examen Klein Vaarbewijs 1.
Ga jij je vaarbewijs halen? Dan is het handig om deze scheepstermen te kennen.
Scheepstermen zijn woorden die in de scheepvaart worden gebruikt. Ze worden ook wel nautische begrippen genoemd.
Voor het examen Klein Vaarbewijs 1 moet je van een aantal van deze woorden weten wat ze betekenen. Denk bijvoorbeeld aan afvarend, stuurboordwalplicht en vaargeul.
Voor het CBR examen Klein Vaarbewijs 1 moet je een aantal belangrijke scheepstermen kennen.
Op deze pagina vind je een overzicht van veelgebruikte nautische begrippen met een korte en eenvoudige uitleg.
A · B · D · G · H · K · L · M · N · O · R · S · U · V · W · Z
Hieronder vind je een alfabetische woordenlijst met belangrijke scheepstermen voor het vaarbewijs.
Een schip dat stroomafwaarts vaart, dus met de stroom mee.
Met een kompas controleer je of een schip op dezelfde plek blijft liggen als je voor anker ligt.
Je peilt met het kompas twee vaste punten op de wal, bijvoorbeeld een kerktoren en een windmolen.
Na een half uur doe je dit opnieuw.
Blijft de peiling hetzelfde, houdt het anker goed.
AIS is een systeem waarmee schepen automatisch informatie naar elkaar sturen.
Met AIS kunnen schepen zien waar andere schepen varen, hoe hard ze gaan en in welke richting ze varen.
Deze informatie verschijnt op een scherm. Daardoor kunnen schepen elkaar beter zien en botsingen voorkomen.
De linkerkant van een schip als je naar voren kijkt (naar de boeg).
Een koers waarbij een zeilschip zijn bestemming kan bereiken zonder te hoeven kruisen.
Kruisen betekent dat je zigzaggend tegen de wind in vaart.
Regels die gelden voor de binnenwateren in Nederland, zoals rivieren en kanalen.
Op bijna alle Nederlandse binnenwateren geldt het BPR. Alleen op sommige wateren geldt een ander reglement.
Regels voor veiligheid en goed gedrag op de binnenwateren.
Wet met regels over de veiligheid op de binnenwateren en over vaarbewijzen.
De voorkant van een schip.
Een teken op een schip, bijvoorbeeld een kegel, dat informatie geeft over het schip.
Het laat zien wat voor soort schip het is of wat het schip aan het doen is.
De afstand tussen de waterlijn en het diepste punt van een schip.
Een vaartuig (schip) dat werk doet op het water, bijvoorbeeld een baggerschip.
Een onbemand vaartuig dat door een duwboot wordt geduwd.
Een combinatie van een duwboot en één of meer duwbakken die samen varen.
De duwboot en de duwbakken vormen samen één geheel.
Twee of meer schepen die je naast elkaar koppelt om samen te varen.
Een schip zwaait heen en weer rond het anker.
Dit gebeurt door wind of stroming.
Vaarbewijs dat verplicht is voor een pleziervaartuig van 24 tot 40 meter lang.
De achterkant van een schip.
De normale waterhoogte in een kanaal. Deze waterhoogte blijft meestal gelijk.
Een puntig dagteken (een driehoek met de punt naar beneden) dat een schip kan tonen.
Blauwe kegels laten bijvoorbeeld zien dat een schip gevaarlijke lading vervoert. Je moet dan afstand houden.
Vaarbewijs voor snelle motorboten en pleziervaartuigen tot 25 meter lang.
Het anker schuift over de bodem en krijgt geen grip.
Een korte stenen dam die loodrecht op de oever staat.
De krib verandert de stroming van de rivier.
Wind die tegen de richting van de klok in draait.
Het knipper- of brandpatroon van een vuurtoren, baken of boei. Hieraan kun je herkennen welk licht je ziet en waar je bent.
Een vaste plek op de wal waar een navigatielicht staat.
Het diepste en veiligste deel van een vaarwater.
Een zeilboot kan zijn bestemming niet direct bereiken zonder te kruisen.
Kruisen betekent dat je zigzaggend tegen de wind in vaart.
Een duwstel dat zonder hulp van andere schepen vaart.
Een vaste waterstand in Nederland. Hiermee vergelijken we andere waterstanden.
Een schip draait tegen de stroom in om stil te liggen of te keren.
Een schip dat stroomopwaarts vaart (tegen de stroom in).
Een drijfmiddel dat je draagt zodat je blijft drijven als je overboord valt.
Regels voor het varen met snelle motorboten op de binnenwateren.
Een organisatie van de overheid die zorgt voor de vaarwegen in Nederland en deze onderhoudt.
Regels voor de scheepvaart op de Boven-Rijn, Neder-Rijn, Waal, Lek en het Pannerdenschkanaal.
Wind die schuin van achteren komt. Deze wind is goed om te zeilen.
Wind die met de richting van de klok mee draait.
Regels voor schepen in de Eemsmonding.
Regels voor schepen op het kanaal tussen Gent en Terneuzen.
Regels voor de schepen op de Westerschelde.
Wet met regels voor de veiligheid op het water en voor het verkeer van schepen.
Schutten is het proces waarbij een schip door een sluis vaart om van het ene waterniveau naar een ander waterniveau te gaan.
De rechterkant van een schip als je naar voren kijkt (naar de boeg).
De regel dat je zoveel mogelijk aan de rechterkant van het vaarwater vaart.
De waterstand die een stuw in een rivier, kanaal of meer regelt.
Luisteren naar berichten via de marifoon en antwoord geven als dat nodig is.
Het deel van een vaarwater waar schepen doorheen varen.
Verbod om op een bepaald water te varen.
Een waterweg waar schepen mogen varen.
Een vaarroute die schepen kunnen gebruiken.
De organisatie die een vaarweg onderhoudt en regelt, meestal Rijkswaterstaat.
De diepte van een vaarwater.
Dit is belangrijk voor schepen die diep in het water liggen.
Wet met regels voor handel en scheepvaart in Nederland.
Een vest dat ervoor zorgt dat je blijft drijven als je in het water valt.
Scheepstermen zijn woorden die in de scheepvaart worden gebruikt. Voor het vaarbewijs examen moet je een aantal van deze nautische termen kennen.
Ja. In het examen Klein Vaarbewijs 1 gebruikt het CBR regelmatig nautische termen. Je moet daarom weten wat deze woorden betekenen om de examenvragen goed te kunnen begrijpen.
Voor het examen Klein Vaarbewijs 1 moet je vooral veelgebruikte nautische begrippen kennen. Voorbeelden van dit soort termen zijn afvarend, stuurboordwalplicht, vaargeul en dagteken. Deze termen kunnen in examenvragen voorkomen.
Wil je alle scheepstermen stap voor stap leren voor het examen? In onze cursus Vaarbewijs 1 leggen we ze uit met duidelijke voorbeelden en examenvragen.
Bekijk ook het overzicht van het CBR examen Vaarbewijs 1.
Deze pagina is samengesteld door Vaarkennis.
De inhoud van onze cursussen en kennisbank is gemaakt door Bart van der Boog en Lieske Sterk, beiden ervaren watersporters en trainers met ruime ervaring in het uitleggen van vaarbewijstheorie.
Onze lessen sluiten aan op de officiële CBR-exameneisen en combineren duidelijke video’s, praktische uitleg en oefenexamens. Zo weten cursisten precies wanneer ze klaar zijn voor het examen en gaan zij met vertrouwen het water op.
👉 Meer over wie wij zijn lees je op de pagina Over ons.
Bronnen
De woordenlijst is gebaseerd op informatie van de officiële exameninstantie: